Ik ving ergens op dat vier op de tien Vlamingen achterblijft op digitale kennis en AI. Het klinkt alsof hij ergens gemeten is, en dat klopt ook. Alleen meet hij iets anders dan wat erbij verteld werd.
Er bestaat een vier-op-de-tien. Er bestaat er zelfs eentje te veel.
De eerste
Mediawijs, het Vlaams kenniscentrum voor digitale en mediawijsheid, houdt het op vier op de tien Vlamingen en Brusselaars die digitaal kwetsbaar zijn. Daaronder ligt de Barometer Digitale Inclusie van de Koning Boudewijnstichting, die om de twee jaar verschijnt en op veertig procent van de Belgen tussen 16 en 74 uitkomt.
Kijk wel even naar wat daar precies gemeten wordt. Digitaal kwetsbaar wil zeggen: nooit internet gebruiken, of te zwakke basisvaardigheden hebben. Een bijlage versturen. Een formulier invullen. Cookies beheren. Inschatten of een site te vertrouwen is. Statbel zit in dezelfde orde van grootte: het aandeel Belgen met minstens basis digitale vaardigheden ging van 54 procent in 2021 naar 61 procent in 2025.
AI zit daar niet in. Geen enkel item van die meetlat gaat over ChatGPT, over prompts, over hallucinaties, over weten waar je gegevens terechtkomen. Wie zegt dat vier op de tien achterblijft op digitale kennis en AI, plakt er een conclusie bij die de meting niet draagt.
De tweede
En dan is er het andere cijfer, uit de imec.digimeter van maart. Ruim vier op de tien Vlamingen, 43 procent, is gewoontegebruiker van generatieve AI. Minstens één keer per maand. Twee op de drie hebben het al eens geprobeerd. Voor 11 procent is het dagelijks, tegenover 4 procent het jaar ervoor.
Dus: vier op de tien gebruikt AI met regelmaat, en vier op de tien komt niet mee met de digitale basis. Zelfde land, zelfde getal, tegengestelde richting. Andere steekproef, andere definitie, andere leeftijdsgrenzen ook. Als je die twee in één zin zet, klinkt het alsof de ene groep de andere is. Dat is precies de val waar ik zelf bijna in trapte.
Let op. Het stuk waar ik vertrok las ik in een samenvatting. Daar stond dat de helft van de Vlamingen AI gebruikt. Dat getal bestaat nergens: het is te laag voor “ooit geprobeerd” (67 procent) en te hoog voor “regelmatig” (43 procent). Het is de afronding uit een persberichttitel, opnieuw verteld tot het een statistiek leek. Samenvattingen van samenvattingen doen dat. Ze ronden af, en bij de volgende ronde is de afronding het feit geworden.
Het fundament en de bovenbouw
Leg de twee reeksen naast elkaar en er staat wel iets.
De digitale basis kroop van 54 naar 61 procent. Vier jaar, zeven punten. In diezelfde periode ging AI-gebruik van 18 procent in 2023 naar 28 in 2024 naar 43 nu. Ter vergelijking, en imec maakt die vergelijking zelf: Netflix had zeven jaar nodig om dat bereik te halen, de smartphone acht, Instagram tien.
De bovenbouw gaat dus sneller dan het fundament. Dat is geen ramp op zich, veel mensen leren iets nieuws prima zonder de laag eronder helemaal te beheersen. Mijn grootmoeder kon perfect telefoneren zonder te weten wat een centrale was. Maar het wordt een probleem zodra de dienstverlening ervan uitgaat dat je mee bent, en zodra je bij de nieuwe laag dingen moet kunnen die in de oude laag ook al niet zaten. Inschatten of iets waar is, bijvoorbeeld.
Het is geen onwetendheid
Hier draai ik de gangbare framing om. Het verhaal is meestal: mensen gebruiken AI zonder de risico’s te zien. De cijfers zeggen zowat het omgekeerde. Tachtig procent van de Vlamingen vreest het verschil tussen mens en machine niet meer te kunnen zien. Vijfentachtig procent maakt zich zorgen over desinformatie. Tweeënzestig procent over privacy en de veiligheid van persoonlijke gegevens.
Dat zijn geen cijfers van een bevolking die achteloos is. Dat is een bevolking die ongerust is en niet weet wat ze eraan moet doen. Het gat zit niet tussen gebruiken en beseffen. Het zit tussen beseffen en kunnen.
Twee derde gebruikt AI trouwens gewoon als een snellere zoekmachine, zo vatte VRT NWS het samen. Vraag stellen, antwoord krijgen, klaar. Zes op de tien gebruiken het voor tekst: vertalen, schrijven, bijwerken. Van al de rest komt in de praktijk weinig terecht.
Waar het concreet wordt
In mei stuurden meer dan honderd organisaties een open brief over de Digipunten die dreigen te sluiten. Dat zijn de plekken in bibliotheken, ziekenhuizen en gemeentehuizen waar je binnenstapt met een computer die niet doet wat je wil, en waar een vrijwilliger tijd voor je maakt.
Dat is dus de plek waar die eerste vier op de tien terechtkomt. En het is meteen de plek waar de vragen over AI zullen binnenkomen, want sinds begin augustus moeten chatbots zich in Europa bekendmaken als chatbot en moet realistisch AI-materiaal gelabeld worden. Dat label lost het probleem alleen op voor wie weet wat hij ermee aan moet. Voor de rest is het weer een lijntje kleine tekst.
Ik loop al een tijdje rond met het plan om hier een aparte hoek over AI te maken. Uitleg, prompts, dingen die je in vijf minuten zelf kan proberen. Ik heb dat lang uitgesteld omdat er al zoveel over geschreven wordt. Dit is ongeveer het argument waarom ik het toch ga doen: er wordt veel geschreven over wat AI kan, en weinig over wat je moet kunnen om er iets aan te hebben.