Salaris komt van zout. Dat klopt. Het verhaal dat er altijd bij verteld wordt, klopt niet.
Je kent het wel. Romeinse soldaten kregen hun loon uitbetaald in zout, want zout was kostbaar, en daar komt ons woord salaris vandaan. Het staat in quizboeken, het staat in bedrijfspresentaties over waarderen en belonen, en ik heb het zelf ook al een keer doorverteld. Er is alleen geen enkele antieke bron die het zegt.
Wat er wel staat
Er is precies een passage. Plinius de Oudere legt in zijn Naturalis historia een verband tussen zout, ambten en dienst in het buitenland, en zegt dat het woord salaria daarvandaan komt. Meer niet. Geen zakje zout, geen maandelijks rantsoen, geen uitleg van hoe of waarom.
Een zin met een gat erin, dus. En zo’n gat blijft niet lang leeg.
Het gat is gedicht in 1771
Dit is het stuk waar ik in bleef hangen. De invulling is te dateren.
De uitdrukking salarium argentum, zoutgeld, duikt op in het Latijnse woordenboek van Facciolati en Forcellini uit 1771. Niet als vondst in een tekst, wel als de best mogelijke gissing van de samenstellers, die zelf ook niet wisten wat Plinius bedoelde. Van daaruit is ze overgenomen in Lewis en Short in 1879, het standaardwoordenboek dat generaties latinisten op tafel hadden staan. En van daaruit in zowat alles.
Vondst. Wat we vandaag als een Romeins feit doorvertellen, is dus de conjectuur van een achttiende-eeuwse woordenboekmaker. Onderweg is alleen het woordje “misschien” weggevallen. Meer is er niet gebeurd.
En het spreekt zichzelf ook nog tegen
Wat we wel weten over Romeinse soldij, past er niet bij. Soldaten kregen stipendium in munten, met inhoudingen voor uitrusting en eten. Daarbovenop af en toe een donativum, een bonus. Na twintig jaar dienst een pensioen of een lap grond. Ze werden gevoed door het leger, dus een aparte zouttoelage slaat nergens op.
En zout was duur noch zeldzaam. Rond 204 voor Christus kostte het ongeveer een zestigste van een dagloon. Waardevol genoeg om over te schrijven, ver van goud.
De aannemelijkste verklaring die overblijft is minder spectaculair en daarom waarschijnlijk juist. Salarium was mogelijk gewoon figuurlijk, zoals het Griekse opsonion: letterlijk geld voor wat je bij je brood eet, in de praktijk gewoon loon. Alles wat je koopt bovenop je basisrantsoen, samengevat in het bekendste van die dingen. Er bestaat daarnaast ook een uitleg die het woord aan de Via Salaria of aan zouttransport koppelt. Ook die is niet hard te maken.
De familie die wel klopt
Zout heeft ondertussen genoeg echte nakomelingen. Daar hoef je niks voor te verzinnen:
- salade – van Latijns salata, gezouten kruiden
- saus – van salsa, gezouten
- salami – van Italiaans salare, zouten
- salpeter – sal petrae, zout van de steen
Let op. De omgekeerde fout is even fout. Schrijf niet dat salaris niets met zout te maken heeft, want dat verband ligt er wel degelijk. Alleen weet niemand precies via welke weg. Het woord hangt aan zout vast, het verhaaltje eromheen is bijgemaakt.
Nog een detail dat me plezierde: de uitdrukking “worth his salt”, zijn zout waard zijn, klinkt alsof ze uit een Romeins kamp komt. Ze is negentiende-eeuws Engels. Ze is dus jonger dan de mythe die ze zogezegd illustreert. Het bewijsstuk is achteraf toegevoegd.
Wat ik hieraan het interessantst vind, is dat er niemand gelogen heeft. Facciolati en Forcellini deden gewoon hun werk: een moeilijke passage, een redelijke gok, opschrijven. Lewis en Short namen het over omdat het in een gezaghebbend woordenboek stond. En zo verder, tot bij mij, die het jaren geleden ergens oppikte en aannam dat iemand het wel nagekeken zou hebben.
Ergens in die keten is een gok een feit geworden, zonder dat iemand die stap gezet heeft. Ze is er gewoon ingeslopen, tussen twee edities in.