In een bos boven Oslo staan duizend sparren die in 2014 geplant zijn. Ze zijn nog lang niet groot. Over achtentachtig jaar worden ze gekapt, tot papier verwerkt, en dan pas mag iemand lezen wat er intussen geschreven is.
Het heet de Future Library, een project van de Schotse kunstenares Katie Paterson. Elk jaar krijgt een schrijver de opdracht om een tekst te maken. Die tekst wordt afgegeven en niet gelezen. Niet door een uitgever, niet door een redacteur, niet door Paterson zelf. In 2114 komen de honderd teksten samen in een boek, gedrukt op het papier van die bomen.
Ik kwam het tegen en ben er een halve avond aan blijven hangen, en niet om de reden die je zou denken.
Alles is af behalve het einde
Wat me pakt, is hoe compleet het geregeld is. De stad Oslo heeft een contract van honderd jaar getekend dat het bos, de kamer en de manuscripten beschermt. Volgens het project staat er ook een drukpers klaar met een handleiding erbij, omdat niemand weet of men in 2114 nog boeken maakt zoals wij dat doen. Er is aan de wortels van de bomen gedacht, aan brandgevaar, aan insecten.
De manuscripten liggen niet in het bos, wat de helft van de artikels erover wel suggereert. Ze liggen in het Stille Rom, op de bovenste verdieping van Deichman Bjorvika, de hoofdbibliotheek van Oslo naast de opera. Een kamertje van een twaalftal vierkante meter, opgebouwd uit zowat zestienduizend houtblokjes in honderd lagen, als jaarringen. Dat hout komt van de bomen die in 2014 gekapt zijn om plaats te maken voor de nieuwe aanplant.
Honderd laden, een per jaar. Wie binnengaat doet zijn schoenen uit. De gevulde laden lichten op, met naam, titel en jaartal erbij. Wat je niet ziet is papier. De teksten zitten in verzegelde stalen dozen achter glas.
Let op. De titels zijn dus gewoon bekend. Margaret Atwood begon in 2014 met Scribbler Moon, Han Kang gaf Dear Son, My Beloved af, Judith Schalansky Fluff and Splinters. Alleen de inhoud is dicht. Je mag weten hoe het heet, je mag niet weten wat er staat.
Twaalf binnen, achtentachtig te gaan
De namenlijst is niet min. Na Atwood volgden David Mitchell, Sjon, Elif Shafak, Han Kang, Karl Ove Knausgard, Ocean Vuong, Tsitsi Dangarembga, Judith Schalansky, Valeria Luiselli, Tommy Orange en Amitav Ghosh.
Op 28 juni van dit jaar zijn er twee tegelijk afgegeven, in het bos zelf, waar dat elk jaar publiek gebeurt. Orange was aan de beurt in 2024 maar had uitgesteld, dus gaf hij samen met Ghosh af. Daarmee staat de teller op twaalf manuscripten. Eind augustus is Laurie Anderson aangekondigd als dertiende. Zij zei dat ze iets nuttigs over de liefde wil schrijven, en dat haar tekst achtentachtig jaar dicht blijft.
Er ligt trouwens geen lijst van honderd namen klaar. Er wordt telkens een schrijver gekozen, bewust in reactie op het moment zelf. Wie in 2070 aan de beurt is, moet nog geboren worden.
Schrijven zonder terugkoppeling
En daar zit het ding dat me bezighoudt. Wij publiceren en meten. Je zet iets online en binnen het uur weet je of iemand het opent, hoelang hij blijft, waar hij afhaakt. Ik doe dat ook. Het is bijna niet meer los te denken van het schrijven zelf.
Deze schrijvers krijgen dat nooit. Geen recensie, geen reactie, geen cijfer, geen enkele aanwijzing of het gelukt is. Ze schrijven voor lezers die ze niet kunnen inschatten, over een wereld die ze niet kennen, en ze zullen het antwoord niet horen. De enige die de tekst gelezen heeft op het moment van afgeven, is de schrijver.
Vondst. Dat maakt het meteen een oefening in iets waar we slecht in geworden zijn. Niet schrijven wat aankomt, maar schrijven wat blijft staan zonder dat je het kan controleren. Er is geen enkele manier om te optimaliseren voor een lezer in 2114.
Ik gok dat het daarom ook een beetje angstaanjagend is om gevraagd te worden. Je kan niet mikken. Je weet niet welke woorden dan nog gewoon zijn, welke verwijzingen nog iets betekenen, of het Engels waarin je schrijft nog leest zoals nu. Wat overblijft is de vraag wat je zou zeggen tegen iemand die je nooit zal ontmoeten en die niets van jou kent.
Het bos is gewoon te bewandelen, vanaf Frognerseteren een halfuur stappen. Het staat er en het doet zijn werk. De bomen moeten nog groeien, en dat is het enige deel van het plan dat vanzelf gaat.