Ergens in 1991 stond er in het Computer Lab van Cambridge een camera op een statiefje, gericht op een koffiepot. Niet als kunstproject, niet als experiment. Gewoon omdat de mensen op de andere verdieping het beu waren om de trap op te komen voor een lege kan.
De ruimte heette de Trojan Room. Een vijftiental onderzoekers deelden er een machine op de gang, en als er verse koffie was, was die snel op. Wie beneden zat, wist dat niet. Die liep naar boven, keek in de kan, en liep terug. Meerdere keren per dag.
Quentin Stafford-Fraser en Paul Jardetzky losten dat op in ongeveer een dag werk. Camera op een retortstatief, draad naar een computer met een frame-grabber, en een programmaatje dat elke paar seconden een beeld nam. Jardetzky schreef de serverkant, Stafford-Fraser de client. Die heette XCoffee en zette een klein grijs vierkantje in de hoek van je scherm.
128 bij 128, drie keer per minuut
Dat is de resolutie. Honderdachtentwintig pixels breed, honderdachtentwintig hoog, grijstinten, en een verversing van ongeveer drie beelden per minuut.
Wat me daaraan bevalt is niet dat het weinig is. Het is dat het precies genoeg is. Een koffiepot vult traag. Je moet één ding kunnen zien: staat er iets in of niet. Daar heb je geen kleur voor nodig, geen bewegend beeld, geen detail. Een donker vlak of een licht vlak volstaat.
Stafford-Fraser heeft er zelf de mooiste zin over geschreven.
Het was maar grijswaarden, wat ook prima was, want dat was de koffie ook.
Quentin Stafford-Fraser
Probeer dit vandaag te bouwen en je komt uit bij een camera in 4K, een app, een account, een abonnement en een melding op je telefoon. Terwijl het probleem geen millimeter veranderd is. Er is koffie of er is geen koffie.
Wanneer werd het de eerste webcam
Hier zit een detail dat meestal wegvalt, en het is net het interessantste stuk.
In 1991 was dit geen webcam. Het beeld hing op het interne netwerk van het lab, zichtbaar voor wie daar een werkstation had staan. Het web bestond toen amper en browsers konden nog geen afbeeldingen tonen. Het was gewoon een intern schermpje.
Pas in november 1993 hingen Daniel Gordon en Martyn Johnson het aan HTTP, net op het moment dat browsers wél plaatjes begonnen te tonen. Vanaf dan kon iedereen ter wereld meekijken. En dat deden ze ook, jarenlang, bij miljoenen.
Dus die titel van “eerste webcam” is achteraf toegekend. Het ding is niet gebouwd om er een te zijn. Er kwam twee jaar later een web omheen te staan, en pas toen werd het wat het nu heet. Ik vind dat een betere geschiedenis dan de nette versie waarin iemand in 1991 de webcam uitvindt.
Niemand had het over content
Dat is wat me hier echt in blijft hangen.
Twee mensen hadden een klein, persoonlijk, volstrekt onbelangrijk probleem. Ze losten het op voor zichzelf. Ze zetten het open omdat het nu eenmaal makkelijker was dan het dicht te zetten. Er was geen plan, geen publiek, geen doel achter. En het werd cultuur.
Bob Metcalfe schreef er in januari 1992 al over, en in het lab werd meteen gelachen over de vervolgen: XSandwichVan om te zien of het broodjeskraam er al stond, XPrinterOutputTray om te zien of je print klaar lag. Grappen, maar wel grappen die de logica meteen goed hadden. Kijk naar iets dat je anders moet gaan controleren.
Dat is precies het soort ding dat een digital garden ook is. Iets kleins oplossen of noteren voor jezelf, en het gewoon open laten staan. Niet omdat er iemand komt kijken, maar omdat dicht doen extra werk is.
Hoe het afliep
Op 22 augustus 2001, om 9.54 uur, ging de camera uit. Het lab verhuisde naar een nieuw gebouw en de Trojan Room bestond niet meer. Dat haalde wereldwijd het nieuws, wat op zich al zegt hoeveel mensen er al die jaren naar hadden zitten kijken.
De pot zelf ging op eBay. Der Spiegel kocht hem voor 3.350 pond en zette hem in de redactie. Krups knapte hem gratis op, uiteraard, want welk merk laat zo’n verhaal liggen. Sinds 2016 staat hij in bruikleen in het Heinz Nixdorf MuseumsForum in Paderborn.
Vondst. Een koffiepot in een museum, omdat vijftien mensen niet graag voor niets de trap op liepen. De hele geschiedenis van live videobeeld op het internet begint bij luiheid van het nuttige soort.
Ik weet niet of ik daar een les uit moet trekken. Waarschijnlijk niet. Maar telkens als ik iets zit te bedenken dat groter moet worden dan het is, denk ik nu aan dat grijze vierkantje van 128 pixels dat tien jaar lang precies één vraag beantwoordde.