Vanaf het najaar van 1929 werd de Sovjetarbeider ingedeeld bij een kleur. Paars, blauw, geel, rood of groen. Vier dagen werken, één dag vrij, en welke dag dat was hing af van je kleur. Op elke willekeurige dag stond dus vier vijfde van het personeel aan de machine en één vijfde thuis. De fabriek lag nooit meer stil.
Ze noemden het de nepreryvka, de ononderbrokene. Op papier is dat een prachtige vondst. Je wint een vijfde capaciteit zonder dat iemand één uur langer werkt, en je moet er niets voor bouwen. Iedereen die ooit een planning heeft moeten maken, voelt meteen waarom iemand dit heeft willen proberen.
Het is ook niet bij een proefje gebleven. In oktober 1930 viel bijna 73 procent van de industriearbeiders onder het systeem.
Let op. De versie die je overal leest, is dat de Sovjets een nieuwe kalender invoerden met weken van vijf dagen. Dat klopt niet. De gewone kalender bleef gewoon hangen, met dezelfde maanden, dezelfde datums en dezelfde dagnamen. Er is toen wel geopperd om de maanden op dertig dagen te zetten, maar dat is uitdrukkelijk afgewezen omdat het te veel zou afwijken van de rest van Europa. Wat ze veranderden was niet de tijd. Het was het rooster.
En daar wringt het, want een rooster is nooit alleen van jou. Man, vrouw en kind zaten elk in een andere groep. Je vrije dag viel op een dinsdag terwijl je vrouw in de fabriek stond en de kinderen op school zaten. In Pravda verscheen de klacht die het hele systeem samenvat.
Wat moeten wij thuis doen als onze vrouw in de fabriek staat en de kinderen op school zitten?
lezersbrief in Pravda, begin jaren dertig
Dat er geen gedeelde vrije dag meer was, was trouwens deels de bedoeling. Geen zondag betekent geen kerkdienst, geen vrijdag betekent geen moskee, geen zaterdag betekent geen synagoge. Je kan een gelovige moeilijk verbieden te gaan, maar je kan hem wel laten werken op het moment dat de anderen gaan.
Ondertussen ging de productie niet omhoog. Een machine die zeven dagen op zeven draait, staat nooit stil voor onderhoud. En een machine die door vijf verschillende mensen bediend wordt, heeft geen eigenaar meer, dus is ze ook van niemand als ze kapot gaat.
Vanaf december 1931 volgde de halve terugtocht: een zesdaagse week, met vaste rustdagen voor iedereen samen, op de 6de, de 12de, de 18de, de 24ste en de 30ste van de maand. Iedereen tegelijk vrij, alleen niet op zondag. En op 27 juni 1940 stond de zondag er gewoon weer. Elf jaar. Wat ervan overblijft zijn kalenders met vijf kleuren die nu bij verzamelaars liggen.
Vondst. De week is het enige stuk tijd dat we volledig zelf verzonnen hebben. Een dag is een draaiing, een maand is ongeveer een maan, een jaar is een omloop. Zeven dagen slaan nergens op, er is niets in de hemel dat op zeven staat.
En net dat volledig willekeurige stuk blijkt het taaiste van allemaal. Je kan het verschuiven, je kan het afschaffen, je kan er een staatsapparaat op zetten. Het komt terug, want vrij zijn op een moment dat niemand anders vrij is, is geen vrije dag. Dat is gewoon alleen zijn.