In april 2011 ging er een verhaal de wereld rond dat te goed was om waar te zijn. In het dorp Ayapa, in de Mexicaanse deelstaat Tabasco, zouden nog twee mensen de taal Ayapaneco spreken. Twee oude mannen, Manuel Segovia en Isidro Velazquez. En die twee weigerden met elkaar te praten.
Een taal die uitsterft door een ruzie. Het stond in The Guardian, en van daar rolde het door naar zowat elke redactie die het kon overnemen.
Er was alleen geen ruzie.
De man die er woonde
Daniel Suslak, een antropoloog die al jaren in en rond dat dorp werkte en er datzelfde jaar nog een wetenschappelijk artikel over publiceerde, wist gewoon beter. De twee mannen waren geen vijanden. Ze hadden, zei hij, meer dan wie ook gedaan om die taal levend te houden. En ze waren ook niet met twee: er waren meer sprekers bij het werk betrokken.
Wat er tussen de twee wel was, was hooguit karakterverschil. Twee oude mannen die niet dezelfde mens zijn. Dat is geen vete, dat is een dorp.
Maar “twee koppige oude mannen laten een taal sterven” is een parabel, en het probleem met een parabel is dat niemand hem nakijkt.
En toen kwam de reclame
In 2013 maakte Vodafone er een campagne rond. Het bedrijf claimde te hebben bijgedragen aan de redding van de taal, en het verhaal dat ze daarvoor gebruikten was, jawel, de vete. De verzoening van de twee mannen, in beeld.
Volgens Suslak was de echte hulp aan het dorp en aan de taal uiterst beperkt. Er is een journalistieke reconstructie die veel verder gaat en beschrijft hoe de opnames precies tot stand kwamen, maar die heb ik maar in een bron kunnen vinden, dus ik laat de details waar ze zijn.
Het punt staat er ook zonder. Een verzonnen ruzie bleek bruikbaarder dan wat er echt gebeurde, ook voor wie zei dat hij die taal wilde redden.
Het echte verhaal is beter
Want er is er een. Sinds 2012 steunt het Mexicaanse instituut voor inheemse talen het werk in Ayapa. Er is een spelling afgesproken, wat bij een taal die nauwelijks geschreven werd geen detail is. Er kwam les in het dorp. In 2019 verscheen er een proefschrift over.
Hoeveel sprekers er zijn, hangt af van wie je telt en wanneer. De volkstelling van 2020 noteerde er zeventig; recentere schattingen komen op een handvol mensen tussen de zevenenzestig en negentig jaar. Het is dus nog altijd bijzonder precair. Maar dat is hoe taalbehoud eruitziet: traag, onzeker, met vergaderingen over spelling. Het haalt de krant niet.
Let op. De sprekers noemen hun taal zelf Nuumte Oote, wat zoiets betekent als “de echte stem”. Taalkundig hoort ze bij het Zoque, en de naam Ayapaneco is vooral de naam die van buitenaf gebruikt wordt.
Ik betrapte mezelf erop dat ik de kop uit 2011 nog kende en het verhaal erachter niet. Zo werkt dat blijkbaar. Het verhaal dat rondgaat, is bijna nooit het verhaal dat gebeurd is – het is het verhaal dat het makkelijkst door te vertellen was.