Er is ergens in een Facebookgroep een krantenartikel opgedoken over de speeltuin van Lisp. Van 1952. En ik weet nog exact hoe die plek rook.
Het was de speeltuin van de Zusters Ursulinen, achter de school aan de Frankenweg. Gestart op initiatief van zuster Lamertine, met acht schommels en wat stoelen die nog uit de patronaatstijd kwamen. Tegen 1952 – officiële inhuldiging op 20 juni – kwamen er elke zondag ruim 500 kinderen. Met of zonder ouders. Gewoon daar zijn was genoeg.
Mijn grootvader en mijn tante werkten er. Ik weet niet meer precies wat ze deden – ik was te klein om dat soort details te onthouden – maar de plek zelf, die staat in mijn hoofd gebrand. De schommelrekken, de draaimolentjes, de bergtrein die ze in 1957 aanschaften als grote nieuwe attractie. En de plonsput. Een ondiepe betonen kuil met water waar je in volle zomer “zedig pootje kon baden”, zoals dat in het krantenartikel staat. Zedig. Amai.
Zuster Lamertine reed in een VW bestelwagen heen en weer tussen de school en de speeltuin. Ontelbare trips, staat er. Ik kan me niet voorstellen hoe dat er uitgezien heeft, maar ik geloof het meteen.
Het zou nu geen dag standhouden. De plonsput alleen al. En dan nog de bergtrein, de schipkens, de draaimolentjes – ik vermoed dat elk ervan een apart veiligheidsdossier zou vereisen. Maar we gingen er elk jaar naartoe, school in stoet, en niemand dacht er toen bij na. Het was gewoon zo.
In 1977 werd het terrein verhuurd aan een brouwerij. Negen jaar later liep het huurcontract af, de grote pretparken waren al in opkomst, en de speeltuin sloot definitief. Daarna lag alles er jaren desolaat bij, staat er, om uiteindelijk verkaveld te worden.
Verkaveld. Dat ene woord doet meer dan de rest van het artikel samen.