Aken, 24 juni 1374, Sint-Jansdag. Mensen komen de straat op en beginnen te dansen. En stoppen niet meer.
Binnen enkele weken staat het langs de Rijn en de Maas: Keulen, Luik, Maastricht, Tongeren, Utrecht, Metz. In Keulen zouden een vijfhonderdtal mensen getroffen zijn. Geen feest, geen processie die uit de hand liep. Mensen in een soort trance, uren aan een stuk, soms dagen, tot ze omvielen. Ze schreeuwden namen van duivels die niemand kende. Sommigen zeiden dat ze door een rivier van bloed waadden.
De ooggetuigen komen van hier
Het aardige zit hem in wie het opschreef. Petrus de Herenthals, tijdgenoot, noteerde in zijn levensbeschrijving van paus Gregorius XI dat er een eigenaardige sekte naar Aken was gekomen: mensen die volgens hem zo door de duivel gekweld werden dat ze overal dansten, op de markt, in de kerk, thuis, hand in hand, hoog opspringend. Radulphus de Rivo, deken van Tongeren, beschreef diezelfde groep en die onbekende duivelsnamen.
Dat is geen voetnoot. Een Kempenaar en een Tongenaar horen bij de handvol bronnen waar zowat elk modern boek over de dansplaag op teruggrijpt.
VondstDeze mannen schreven als tijdgenoten, niet als latere navertellers. Wat wij vandaag over die zomer weten, loopt grotendeels via kronieken uit de Lage Landen.
Waar het niet aan lag
De verklaring die je overal tegenkomt is moederkoorn: die schimmel op vochtige rogge, verwant aan LSD, goed voor krampen en hallucinaties. Klinkt netjes. Alleen is dat verhaal intussen behoorlijk uitgekleed.
Moederkoorn knijpt de bloedvaten dicht. Wie er ziek van wordt krijgt brandende ledematen en in het slechtste geval koudvuur. Die danst geen dagen aan een stuk. En dan is er de aardrijkskunde: zowat elke uitbraak lag langs de Rijn of de Moezel, gebieden verbonden door water maar met verschillende klimaten en verschillende gewassen. Een schimmel op rogge volgt geen rivier.
Wat overblijft is de lezing van medisch historicus John Waller: een massale psychogene aandoening. Extreme stress plus een geloofssysteem dat de vorm aanreikt. En die stress was er. In de winter voor 1374 was de Rijn buiten zijn oevers getreden, volgens de kronieken een meter of tien gestegen, huizen weg, oogst weg. Daarbovenop de naweeën van de pest. En een kerk die uitlegde dat het allemaal verdiend was.
In een gemeenschap waar iedereen gelooft dat een vloek je kan doen dansen, volstaat één iemand die begint. Geen aanstellerij: echte, onwillekeurige bewegingen, in een trance waar je niet uit raakt. Wat de cultuur aanreikt als vorm van instorten, is de vorm die het aanneemt.
De behandeling die het erger maakte
Dan dat verhaal over artsen die muzikanten inhuurden zodat de dansers het ritme eruit konden werken. Dat klopt, maar het is Straatsburg 1518, anderhalve eeuw later. De stadsartsen daar diagnosticeerden verhit bloed en besloten dat de patiënten het eruit moesten dansen. De stad ruimde gildehuizen leeg, timmerde podia op de paardenmarkt en de graanmarkt, en betaalde trommelaars, pijpers en fiedelaars. Er werden zelfs gezonde dansers bijgehaald om het tempo erin te houden.
Het werkte averechts. De podia stonden in het volle zicht, de muziek trok publiek, en wie kwam kijken zag geen behandeling maar een bewijs: Sint-Vitus was echt kwaad. Meer toeschouwers, meer dansers. De raad heeft het uiteindelijk moeten verbieden.
Let op1374 en 1518 worden voortdurend door elkaar gehaald. 1374 was het grootste in omvang, tientallen steden langs Rijn en Maas. 1518 was het best gedocumenteerd, met stadsrekeningen, artsenverslagen en de kroniek van Daniel Specklin. De muzikanten horen bij 1518.
Die podia-logica is het scherpste stuk van het hele verhaal. Ze bouwden een verhoog zodat het beter zichtbaar werd voor precies de gemeenschap waarin de overtuiging aan het rondgaan was, en zetten er geluid bij. De verkeerde theorie, uitgevoerd met alles wat de stad te bieden had.